Een moeder vroeg mij eens of haar kind mee mocht naar de studio. Ik zou haar fotograferen, niet het kind. Voor mij was dat prima. Een kind is hartstikke welkom in mijn studio, al blijft het natuurlijk de verantwoordelijkheid van de moeder.
Ik had eerder moeders gefotografeerd die één of twee kinderen meenamen. Zij hadden vaak hun eigen trucjes. Een moeder had tekeningen meegenomen om haar kinderen bezig te houden terwijl zij werd gefotografeerd. Uiteindelijk gingen de kinderen tekeningen voor mij maken. Ik vond het briljant dat zij dat zo had aangepakt. Haar kinderen hadden iets te doen en kregen tegelijkertijd een plek in wat er in de studio gebeurde.
Maar ik maakte ook een andere situatie mee. Een moeder wist niet zo goed wat zij moest doen met de aandacht die haar kind tijdens de shoot van haar vroeg. Ik moest mij op haar portret concentreren, maar op dat moment ging haar aandacht juist weg van haar kind. Hij bleef die aandacht vragen. Dat stond mij in de weg, waardoor het langer duurde om een foto van de moeder te maken. Tegelijkertijd begon hij mij te irriteren. Ik wist niet goed hoe ik met hem moest omgaan.
Ik kende een vriendin die ik eerder voor hetzelfde project had geportretteerd. Zij wist veel over kinderen en opvoeding, dus ik vroeg haar om tips. Hoe kon ik hier in de studio beter mee omgaan?
Een van haar adviezen was om de moeder tijd te gunnen. Ik kon gewoon zeggen: we hebben de tijd. Een moeder kan namelijk het gevoel hebben dat de foto binnen een bepaalde tijd gemaakt moet worden. Wanneer haar kind ondertussen aandacht vraagt, moet zij die aandacht verdelen. Alleen al weten dat er geen haast is, kan haar rust geven.
Mijn vriendin legde ook uit dat ik niet wist wat er vóór het bezoek aan de studio was gebeurd. Misschien waren moeder en kind onderweg al gestrest geraakt. Misschien had het kind in de auto niet de aandacht gekregen die het nodig had. Een kind voelt de afwezigheid of spanning van een moeder en kan dat in de studio laten zien wanneer haar aandacht ineens ergens anders naartoe gaat.
Bovendien komt een kind voor het eerst in een ruimte vol onbekende indrukken. Het weet niet wat er gaat gebeuren. Het weet ook niet wat ik met zijn of haar moeder ga doen. Ik kon het kind daarom beter erkennen in zijn aanwezigheid. Niet op het kind neerkijken, maar proberen te levelen en vanuit de ogen van het kind te begrijpen wat het in zo’n situatie ervaart.
Geef het kind ook aandacht, was het credo.
Niet lang daarna kwam er opnieuw een moeder met een jongen van ongeveer acht tot tien jaar naar mijn studio. Ook hij vroeg veel aandacht. Op het moment dat hij binnenkwam, gingen bij mij vanbinnen mijn haren overeind staan. Mijn eerste gedachte was: ik kan dit niet met kinderen.
Toch besloot ik het deze keer anders aan te pakken.
Ik begroette eerst de jongen. Op ooghoogte, waarschijnlijk bij zijn naam. “Hoi, welkom. Ik ben Armando en ik ben de fotograaf. Welkom bij mijn huis en mijn studio. Kom je hier voor het eerst?”
Daarna begroette ik de moeder, met wie ik al contact had gehad. Ik vertelde dat zij allebei hartstikke welkom waren. Ik nam hem mee in mijn welkomstboodschap en vroeg of hij iets wilde drinken. Hij wilde niets, maar ik zette toch water neer. Water voelde als een veilige keuze en als een eerste levensbehoefte. Als hij later van gedachten veranderde, had ik daar al in voorzien. Niet veel later zag ik hem inderdaad uit het glas drinken.
Vervolgens begeleidde ik niet alleen de moeder, maar ook de jongen door de studio. Ik legde uit wat hij zag. Dit zijn de studiolampen. Dit is de achtergrond. Dit is de camera. Straks ga ik foto’s maken van jouw moeder. Jouw moeder mag hier staan. Eerst maak ik een test.
Ik bleef tegen hem praten terwijl ik die eerste foto maakte. Daarna liet ik het schermpje op de achterkant van mijn camera zien.
“Kijk, dit is het resultaat.”
De blik van de jongen veranderde. Ik zag opluchting en blijdschap, omdat hij zijn moeder op de foto herkende. De moeder kon daarin meespelen. Het voelde voor haar niet vreemd dat ik eerst een testfoto maakte, want we deden het om haar zoon mee te nemen in wat er gebeurde. Zij deed als het ware voor hoe zij op de foto ging.
Misschien leidde dat de aandacht even van haar portret af, maar uiteindelijk hielp het juist om dat portret tot een goed einde te brengen. We waren relatief snel klaar. De jongen kon rondhuppelen en wilde de foto’s daarna graag nog een keer zien. Dat kon allemaal.
Maar daar kwam ook een volgend inzicht uit voort. Hij voelde zich zo vrij dat hij bijna op het papier van de achtergrond sprong. Daardoor had de hele achtergrond naar beneden kunnen komen. Ik probeerde tegen de moeder te zeggen dat haar zoon wat rustiger moest doen, maar ik kon de juiste woorden niet vinden.
Achteraf wist ik wat ik had kunnen zeggen: je mag alles doen, maar je mag hier niet langskomen.
Een kind heeft niet alleen erkenning nodig, maar ook grenzen. Het moet weten wat er aan de hand is, het moet worden meegenomen en het moet worden gezien. Tegelijkertijd moet ik duidelijk maken waar het niet mag komen, juist omdat het ook om veiligheid gaat.
Dat is voor mij een methode geworden. Wanneer een ouder wordt gefotografeerd en een kind aanwezig is, hoef ik niet automatisch ook het kind te fotograferen. Maar ik moet het kind wel meenemen in het proces. Soms kan ik eerst een foto van moeder en kind maken, zodat zij samen op de foto staan en dat daarmee klaar is. Daarna voelt het bijna alsof ik het vertrouwen van het kind heb verdiend om zijn of haar moeder te mogen fotograferen. Een moeder en een kind hebben een onlosmakelijke band. Als fotograaf kom ik daar tijdelijk tussen.
De handvatten van mijn vriendin hielpen. Toch zei zij ook iets anders tegen mij. Mijn haren gingen niet alleen overeind staan door de situatie in de studio. Dat gevoel lag ook bij mijzelf. Het kwam ergens vandaan.
Wat kon ik mij uit mijn jeugd herinneren waardoor ik deze relatie met kinderen had opgebouwd?
Toen kwam ik uit bij mijn moederwond. Op jonge leeftijd kreeg ik verantwoordelijkheid in mijn schoenen geschoven. Ik was verantwoordelijk voor mijn eigen acties. Als ik viel, kon ik niet huilend naar mijn moeder gaan omdat ik pijn had. Het was mijn eigen schuld. Sterker nog, ik kreeg een trap na.
Ik leerde dat ik voor mezelf verantwoordelijk was. Ik had niet het gevoel dat ik een moeder had die voor mij opkwam wanneer ik emotionele schade opliep.
Wanneer ik nu een kind aandacht zie vragen aan een moeder, word ik daardoor geraakt. Er ontstaat een oordeel naar het kind: jij hebt wel een moeder die ik nooit heb gehad. Waarom donder je niet op uit deze studio? Waarom ga je niet in een hoek stilzitten, zodat ik je moeder kan fotograferen?
Dat is hard, maar het is wat er in mij opkwam. Niet omdat het kind iets verkeerd deed, maar omdat ik zelf werd getriggerd. Mijn jeugdtrauma speelde mee in mijn contact met de mensen die ik fotografeer.
Volwassenen kan ik makkelijker fotograferen. Zij hebben een bepaald bewustzijn, maar tegelijkertijd ook een masker. Misschien heeft iedereen wel iets uit de jeugd dat in bepaalde situaties naar buiten komt. Een volwassene laat het alleen anders zien dan een kind.
Juist daardoor begon ik te begrijpen dat wat ik van het kind leerde ook geldt voor volwassenen. Als ik kan begrijpen hoe een kind de studio ervaart wanneer het zelf, zijn moeder of zijn ouders worden gefotografeerd, dan kan ik ook beter begrijpen wat er met een volwassene gebeurt voor mijn camera.
Uiteindelijk heeft iedereen een kind in zichzelf dat geen specifieke ervaring heeft met gefotografeerd worden en opeens in de spotlight staat. Iemand wil controle houden over de eigen reputatie en over de visuele perceptie van zichzelf. Die controle wordt voor een deel uit handen gegeven zodra een fotograaf de camera pakt.
Als fotograaf heb ik macht over hoe het uiterlijk van iemand op de foto naar buiten komt. Wanneer ik mij daarvan bewust ben, kan ik die macht ook teruggeven. Ik kan de klant het gevoel geven dat die controle houdt over het eigen beeld. Ik kan iemand meenemen in het proces, beelden laten zien en samen een selectie maken.
Tijdens een sessie van dertig minuten maak ik soms meer dan honderd foto’s. Binnen zo’n serie is veel mogelijk. Niet iedere foto hoeft alles te zijn. Er ontstaat ruimte om te zoeken, om vertrouwen op te bouwen en om samen te ontdekken welk beeld klopt.
Dat vertrouwen begint niet pas wanneer ik de camera voor mijn gezicht houd. Het begint bij hoe ik iemand begroet, hoe ik uitleg wat er gaat gebeuren, hoeveel tijd ik geef en hoe duidelijk ik mijn grenzen aangeef. Het zit in alle onzichtbare persoonlijke dingen die tussendoor gebeuren.
Ik dacht eerst dat ik vooral moest leren omgaan met een kind dat mij tijdens het fotograferen in de weg stond. Ik leerde een praktische methode: erkennen, meenemen, uitleggen, tijd geven en grenzen aangeven. Maar onder die methode lag een inzicht in mijzelf.
De jongen in mijn studio vroeg niet alleen aandacht van zijn moeder. Hij raakte ook het kind in mij dat die aandacht zelf had gemist.
Door dat te begrijpen, kan ik anders reageren. Niet door mijn verleden buiten de studio te houden, want het vormt nog steeds hoe ik werk en hoe ik naar mensen kijk. Wel door mij ervan bewust te worden en het te internaliseren in de manier waarop ik fotografeer.
Veiligheid ontstaat wanneer iemand begrijpt wat er gebeurt, zich erkend voelt en weet waar de grenzen liggen. Als die veiligheid eenmaal is gecreëerd, kan iemand een deel van de controle loslaten. Dan blijft het fotograferen niet alleen een technisch proces, maar wordt het ook een veilig en creatief proces.
Uiteindelijk was het een doorbraak, precies omdat het helend werkte. Sindsdien ben ik mensen beter gaan fotograferen: het kind in mij kreeg meer zorg met erkenning.